Exportcontrolebeleid Israël

Ten aanzien van Israël wordt sinds 2006 een algemene beleidslijn over de uitvoer en doorvoer van strategische goederen gehanteerd.
Dit specifieke beleid bestaat erin dat geen uitvoer noch doorvoer wordt goedgekeurd die de versterking van de militaire capaciteit van de Israëlische krijgsmacht inhoudt. Dat betekent het volgende: 

  • Binnen de contouren van het Wapenhandeldecreet en de dual use-verordening is de overbrenging, de uitvoer en de doorvoer van de verschillende categorieën van strategische goederen (defensiegerelateerde producten, ordehandhavingsmateriaal, ander voor militair gebruik dienstig materiaal, civiele vuurwapens en dual use-producten) niet toegestaan als er sprake is van militair eindgebruik in Israël. Dat wil zeggen dat de vergunning niet wordt toegestaan als de eindgebruiker de Israëlische overheid, het Israëlische leger of een Israëlische defensiegerelateerde onderneming is, of als civiele ondernemingen de goederen zullen aanwenden voor militaire doeleinden; 
  • De uitvoer van dual use-producten naar de vermelde entiteiten is wel mogelijk als het gaat over aangetoond civiel eindgebruik.

Dit beleid is in werking getreden in september 2006 en is in 2009 bevestigd naar aanleiding van een resolutie van het Vlaams Parlement van 7 januari 2009 betreffende de oorlog in Gaza en overleg met de FOD Buitenlandse Zaken en de andere gewesten.
Deze beleidslijn steunt op een interpretatie van de volgende criteria:

  • criteria 1, 2, 3, 4 en 6 van het Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB  en artikel 26 van het Wapenhandeldecreet;
  • het bijkomende criterium 1° over de “externe belangen en internationale doelstellingen van het Vlaamse Gewest en België” in artikel 28 van het Wapenhandeldecreet; en
  • de “overwegingen van nationaal buitenlands en veiligheidsbeleid” en “overwegingen omtrent het voorgenomen eindgebruik”, vermeld in artikel 15 van de dual use-verordening 2021/821.

Tenzij er sprake is van aangetoond civiel eindgebruik van dual use-producten, wordt voor het verkrijgen van een uit- of doorvoervergunning voor Israël materiële zekerheid vereist dat de goederen alleen voor wederuitvoer of voor bewerking en wederuitvoer aan een Israëlisch bedrijf worden geleverd, en dat het eindgebruik van de goederen buiten Israël gesitueerd is.
In de praktijk kan de uit- of doorvoerder die materiële zekerheid verstrekken door de volgende drie documenten bij de aanvraag tot uit- of doorvoer te voegen:

  1. een originele eindgebruikersverklaring van het Israëlische bedrijf; 
  2. een kopie van de Israëlische uitvoervergunning over de uitvoer van de goederen in kwestie;
  3. een kopie van het internationaal invoercertificaat, de eindgebruikersverklaring of de invoervergunning van de eindgebruiker.

Als de bovenstaande documenten niet voldoende duidelijk zijn en niet de materiële zekerheid geven dat de goederen die het Vlaamse bedrijf uitvoert, Israël opnieuw zullen verlaten, vraagt de bevoegde dienst Controle Strategische Goederen bijkomend ook een kopie van de (verkoops)overeenkomst tussen het Israëlische bedrijf en de eindgebruiker (indien mogelijk en eventueel bewerkt) en/of enig ander stavingsdocument.